dinsdag 19 februari 2013

De Patriarch (7)


“Zo, Kroeger. Goed U weer eens te ontmoeten. Wanneer kan ik het produkt Uwer inspanningen verwachten? Goed. U bent nog niet gereed. Tja. Dat is minder aangenaam.
Wat hoor ik nu? Wordt u binnenkort vader? Ja, dan zult u wel andere zaken aan uw hoofd hebben, denk ik. Wanneer…?”
Gaston mompelde:: “Binnenkort, professor. Goedemiddag, heren. Hoop u snel weer te ontmoeten. Een kop koffie. Borrel. Toilet. Afspraak. Moet gaan!” En weg was hij. De beide weledelzeergeleerde heren besloten toen maar gezamenlijk hun koffie te nuttigen en te bespreken hoe raar soms een dubbeltje rollen kan. Buiten ademde Gaston diep de voorjaarslucht in en trachtte zijn bonzend hart tot bedaren te brengen. Stom hier te komen. Hij kon de eerst komende maanden beter zijn gezicht hier niet meer in de buurt laten zien.
Gaston nam de trein van 12.17 uur naar G. Soezend in het zonlicht probeerde hij te analyseren, waarom hij naar de faculteit was gegaan en zich die stomme opmerking over zijn toekomstig vaderschap had laten ontvallen. Het leek hem gemakkelijker zijn aandacht te richten op het directe verleden dan op de nabije toekomst. Hoewel hij niet verder kwam dan een groot aantal sigarettenpeukjes en wat vage pseudopsychologische verklaringen kwam hij toch op redelijk aangename wijze de reistijd door.
Toen hij echter rond 13.05 uur uit de trein stapte drong echter de importantie van zijn missie weer in haar volle omvang tot hem door. Hij voelde hoe een ijskoude steen in zijn maag vorm kreeg.  Sigarettenrook maakte hem opeens misselijk. Zijn adem zou wel stinken. Weg met die kankerstok! Zijn schone kleding zou nu ook wel een beetje muf ruiken. Geërgerd trok hij zijn schouders op. Hij wilde fris geurend aan de samenkomst deelnemen. De enige oplossing was wat mondspray bij een drogist te kopen. Zou ze willen, dat hij haar kuste….tijdens…  In dat geval helemaal….
Hoe zou het gaan? In gedachten repeteerde hij de volgorde van de vereiste handelingen. Nog nooit had hij met een vrouw geslapen, of zelfs in één bed gelegen. Ach, waarschijnlijk was zij net zo nerveus als hij. Als lesbienne zou zij vast ook wel weinig tot geen ervaring hebben met het andere geslacht.
Rustig wandelend wist hij in drie kwartier de afstand tussen het station, de drogist en het huis van Nora en Vivian af te leggen, achter het station in een nieuwe wijk. Even voor tweeën stond Gaston voor de deur. Een leuk eensgezinswoninkje in een rijtje. Een klein tuintje ervoor, waar de bewoonsters groente in verbouwden. Een blik door het grote raam, rechts van de voordeur leverde niets op. Grote, groene planten verhinderden hem naar binnen te kijken.. De secondewijzer op zijn horloge passeerde de twaalf. Een paar maal zoog Gaston met kracht de lucht tussen zijn tanden door naar binnen, om de mondspray een handje te helpen.
Toen belde hij aan en wachtte. Zijn hart bonsde. Vivian deed open, gekleed in een oosters aandoende, effen paarse jurk.


Terug naar De Patriarch: inhoudsopgave  

Emaille van Groningen (8)

Naarstig zoeken Dave's ogen de enorme hoeveelheid spullen af. Van alles heeft hij gezien: van gebroken uitlaten tot gebreide armbanden, van namaak-fruit tot bedeltjes, letterbakken, zelfs stofzuigers, twaalf Afrikaanse trommels en vier autobanden. Nergens glas- of aardewerk dat kan dienen om uit te drinken. Behalve balancerend op een torentje aan rood metalen theepotten staat een drinkbeker, wit met een blauw randje. Op een paar plekken komt de roest er doorheen. Behoefte aan een stevige borrel en zeer realistische associatie strijden in zijn hoofd om de voorrang. De dorst lijkt te winnen. Emaille jut hem op.
"Kom op kerel. Pak nou die borrelglaasjes, dan kan ik tenminste weer zeggen dat ik een echte gastvrouw ben. Twee is genoeg. Hé, wat doe je... Hier blijven! Ik ga niet aan de zuip uit zo'n vieze mok. Waarvoor zie je mij aan? Híer staan ze!" Ze gebaart driftig naar de lage rooktafel voor haar. "Nee, dáár! Kijk dan ook uit je doppen! Áchter die plaat. Nee! Ja! Daar! Hé-hé. En nu inschenken."
In de televisie, verborgen achter de achterplaat vindt Dave een hele uitzet aan drinkgerei. Hij pakt twee donkerbruine stenen borrelglaasjes te voorschijn. Hij schenkt ze tot de rand toe vol en biedt de oude vrouw eentje aan. Proost! Salut! Tsjoch! Skal! Lechajim! Ad fundum! Gezondheid! Grijnzen wensen ze elkaar al het beste toe en slaan de kleurloze drank in een keer achterover. Sterk spul! De tranen schieten Dave in de ogen. Emaille volgt zijn blik. Verontwaardigd zuigt ze aan haar rechter duim.
"Natuurlijk doet die tv het niet. Ik zei toch al dat ik geen elektriciteit heb. Ik ben niet gék, of zo! Ik doe alleen maar alsóf ik tv kijk. Zo breng ik ze op een dwaalspoor: heeft ze nu wel of nu niet gas en elektra. We hadden gedacht van niet. Maar ja, als de tv het doet. Dan is het haar toch gelukt. Hoe krijgt ze toch steeds weer alles voor elkaar? Enne... als dat haar is gelukt, dan heeft ze misschien ook wel allerlei speeltjes om zichzelf te beschermen. Pas op, die oude dame is nog half zo dwaas niet als ze er op het eerste gezicht eruit ziet. Snap je, zo lijk ik sterker dan ik feitelijk ben!"
Dwingend steekt ze haar lege glaasje uit. Gehoorzaam schenkt Dave in. Zwijgend drinken ze. Elke tweede borrel moet je de tijd geven. Rustig drinken. Kleine slokjes. Langzaam genieten. Niet te veel zeggen. Laat het brandende, verwarmende vocht rondgaan op je tong, aan weerszijden van je gebit, langs je gehemelte, door je slokdarm naar beneden. Je maag, je darmen, je bloed, ze zijn er dan helemaal klaar voor om te ontvangen. Als je het zo doet, word je nooit een alcoholist; hoe veel je ook drinkt. Dave weet het zeker. Hij is al jaren het levende bewijs.
Na de vierde borrel heeft Emaille weer aandacht voor Dave. Haar grijsblauwe ogen met in elk zo'n intens bruin vlekje kijken hem strak aan.
"Zo!", zegt ze. "En nu jij. Wat kan ik voor je doen."
Dave haalt zijn schouders op. Met een paar borrels in zijn lijf en veilig voor de bulderende storm boven zijn hoofd is hij best tevreden zo.
"Kom op, jongen. Je mag best vrijuit praten. Iedereen die hier komt, wil iets van Emaille. Dat is goed, dat is best. Emaille heeft ook veel om te geven. Het is allemaal akkoord. Emaille wil best geven wat je nodig hebt. Wees er alleen zuinig mee. En wees een beetje dankbaar. Dankbaarheid is het voedsel voor Emaille's ziel. Zeg op, waarom ben je gekomen?"


Terug naar  Emaille van Groningen: inhoudsopgave

Nachtburgemeester (verkorte versie)



Bijdrage aan Opiumverhalenwedstrijd 2013: Zwarte bladzijden, Gouden randen
Kortverhaal: Nachtburgemeester: totaal 498 woorden
Nachtburgemeester
Berend  zweet overvloedig. Uitkijkend over de winterse stad twijfelt hij of klimaatveranderingen tot de bestuurlijke competentie behoren.  Of iets daaroe behoort, maakt het leven zo'n stuk gemakkelijker: of je neemt maatregelen of je doet niets. Berend voelt zich oprecht dankbaar dat dienstbaar is aan een maakbare samenleving. Wanneer hij zo over de stad uitkikkt dan voelt het net alsof de stad voor een deel  ook zijn schepping is.
Zijn blik wordt getrokken door een eenzame figuur. Alleen een grijs sikje is te zien, een strakke mond en de zweem van een snor.  Hij is weer keurig op tijd. Elke keer vlak voord de schemering  komt hij langs en kijkt dan  steevast omhoog naar een onzichtbare Berend. 
Aan de overzijde klapt de man een stoel uit en gaat zitten. Zijn kin rust op zijn handen. Dat is het enige wat hij doet. Elke avond.   Een stille actievoerder? Hoe lang zit hij daar al? Berend fronst de wenkbrauwen.  Nu hij er over nadenkt, sinds de dagen weigeren kouder te worden, ziet hij de man dagelijks verschijnen.Opeens heeft hij er schoon genoeg van. Met twee treden tegelijk rent  hij de trap af. Verbaasde hoofden kijken vanuitt diverse deuropeningen.
Voor het eerst loopt Berend niet direct richting Gouverneursplein, maar steekt de straat over. De hogehoed van de oudere man raakt de muur achter hem. Zijn lichtgrijze ogen staan nieuwsgierig. Beernd Mostert staat recht voor hem en zwijgt.
"Koud?" vraagt de oudere man vriendelijk.
Zie je wel denkt! denkt Berend. Een klimaatactivist. Had ik toch gelijk. 
Omstandig zoekend kijkt  hij  om zich heen naar een plek om te zitten of tegen aan te leunen. Voor het eerst sinds jaren heeft hij het gevoel dat hij geen woorden kan vindenn. Hij probeert te zien, wat de oudere man ziet. Waar de blik van de ander heengaat, probeert hij met de zijne te volgen. Berend voelt zich waarnemer van een vertrouwde beeld van een doordeweekse winteravond in Granendam. Hij kan niet langer een glimlach onderdrukken. Zo kent hij deze stad. Dit is zìjn stad. Alleen de man tegenover hem is een raadsel. 
“Wie bent u? Wat doet u hier elke avond buiten op die stoel?”
“Kijken”, is het antwoord. “Kijken èn zien”, voegt hij bedachtzaam knikkend er aan toe. “Jullie daarbinnen zien niet zo veel. Jullie weten nog niet de helft van wat er hier buiten gaande is.”
“Wat dan!?”, reageert Berend geïrriteerd.
“Kijk zelf maar.”
De oude man komt rustig overeind en biedt Berend zijn stoel.  Dan draait hij zich om en loopt langzaam in de richting van het Gouverneursplein.
“Als ik u was, zou ik gewoon eens een tijdje blijven zitten. Verrassend wat je dan niet allemaal over je eigen stad ontdekt, als je een aantal nachten hier doorbrengt . Bijzonder. Heel bijzonder. Leerzaam zou ik het willen noemen. Voor elke stadsbestuurder aan te raden. Biedt echt een geheel  ander perspectief. Heel verhelderend.”

donderdag 31 januari 2013

Mzurisana: de Maan op School

Mijn grote vriend Mzurisana is een oerverteller van verhalen. In bijna alle culturen komt hij onder een andere naam voor. Van hem wordt verteld, dat het zijn grootste plezier was om verhaalbrokstukjes te verzamelen en aaneen te rijgen.

Het begon al toen hij jong was en naar school moest. Omdat leren belangrijk is. Omdat feiten, samenhang en overzicht nodig zijn om de wereld te begrijpen.

Op een dag ging het op school over de maan en Mzurisana vertelde vol trots, dat hij de maan gered had. "Gisteravond, moest ik water halen", begon hij. "Ik wilde het putemmertje laten zakken, toen ik op de bodem van de put de maan zag liggen. Ik aarzelde geen moment en gooide een touw met een haak naar beneden. Ik riep de maan op het touw te pakken en stevig vast te houden.
De maan was erg zwaar, ik trok en trok, maar tenslotte gaf zij mee en viel ik op mijn rug! Toen ik omhoog keek, zag ik de maan gelukkig weer aan de hemel staan. De maan bedankte me en vol schaamte over haar domheid verstopte ze zich achter een wolk."

Na dit verhaal vroeg de meester Mzurisana: "Vertel nu eens, wat is belangrijker voor ons: de zon of de maan?"

"Natuurlijk is de maan belangrijker", antwoordde Mzurisana zonder aarzelen, "de zon verschijnt overdag als het licht is, maar de maan komt ‘s nachts om licht te brengen in de duisternis. Pas de duisternis leert ons wat gebrek aan licht betekent en dan is er de maan die ons met haar licht van hoop vervult."

Lichtelijk geïrriteerd, door Mzurisana's weinig wetenschappelijke antwoorden, ging de meester door: "Hoe zit dat dan dat elke keer maan eerst groter wordt en dan weer kleiner en tenslotte verdwijnt totdat er weer een nieuwe verschijnt?"

"Da's toch logisch", vertelde Mzurisana verder. "Stukje bij beetje breken ze de oude maan af en strooien die uit over de hemel. Dat zijn de sterren. Vervolgens boetseren zij van dezelfde stukjes weer een nieuwe maan. Bij volle maan zie je veel minder minder sterren. Weet u…."
Mzurisana begon nu aardig op stoom te komen. De meester besloot Mzurisana's gebrek aan toetsbare kennis echter af te straffen met een paar flinke zweepslagen op zijn voetzolen.

Met tranen in de ogen van de pijn reageerde Mzurisana:
"Alleen dwazen geloven dat je het verlangen naar kennis kunt opwekken met slaag. Een brandend hart verlangt naar wijsheid. Brandende voeten hebben slechts behoefte aan ijskoudwater."

zaterdag 19 januari 2013

De Patriarch (6)

Om negen uur zette hij zich achter zijn scriptie. Ondanks het feit, dat het onderwerp nu in een geheel nieuw, misschien wel sprankelend, daglicht kon worden geplaatst, kon hij zich niet of nauwelijks concentreren. Rond half elf verliet hij gedoucht, geschoren, met gepoetste schoenen aan en gestoken in schoon boven- èn ondergoed het huis. Even had hij het plan opgevat zijn driedelig pak, dat hij ooit had moeten aanschaffen voor een jubileumfeest van zijn grootvader, aan te trekken om het officiële karakter van de samenkomst vanmiddag te benadrukken.

Hij liep richting station, gekleed in spijkerbroek, jas, schipperstrui en leren hesje. Om de tijd te doden liep hij met omweg via het faculteitsgebouw. De hal was vrijwel leeg. Slechts twee mensen stonden in gespannen houding voor het mededelingenbord. Gaston moest toegeven, het was nog relatief vroeg. Of de mensen sliepen of zij volgden een moeilijk definieerbaar practicum.
Hij haalde een bekertje koffie uit de automaat en ging achter de beide jongerejaarsstudenten staan. Hij probeerde tussen hen door een paar cijfers en namen te onderscheiden. De linker student draaide zich om, knikte stom en staarde weer naar de cijferlijst. Mompelend en gesmoord vloekend liepen ze weg, Gaston alleen achterlatend bij al die namen, die hem niets zeiden en al die getallen, die hem gezien zijn eigen ervaringen wel wat hoog uitgevallen leken.
Een vrolijke stem achter hem riep zijn naam. Gaston draaide zich om en ontwaarde een jonge man, gekleed als een corpsbal, die net uit een deur met een rood, brandend lampje te voorschijn kwam.

“Zèg, kèrel. Wat curieus. Dat jij hier weer eens opduikt. Hoe staan de zaken. Heb je al een baan? Oh …. nog niet afgestudeerd. Lekker leventje. Wat zeg je? Scriptie. Uitstellen tot nader orde in verband met praktijktoetsing. Daar wil ik meer van horen. Leg eens uit, kerel. Ik snap er de bàlle niet van. Op naar de kantine. Koffie. Wat was ook alweer je onderwerp? Oh … juist ….ja…… juist ja! Meesterlijk, kèrel. Wat!? Koffie!
Dus als ik het goed begrijp, dat ..hmm…eh  …jij……..ja….ja…. Onwijs gaaf, man! Hebben jullie al een naam bedacht? Haha, grapje hoor. Dat moet altijd tot het laatste moment geheim blijven, hè. Ken ik overigens de gelukkige moeder? Wanneer………?”
De woordenstroom werd onderbroken op het moment, dat Gaston en de ander de kantine binnenkwamen. Een eminente verschijning stond op en blokkeerde hen de weg, Gaston enigszins dreigend in de ogen kijkend.

Terug naar De Patriarch: inhoudsopgave  

Emaille van Groningen (7)

"Hé, onbeschofte vlerk!"
"Oh... eh... ik dacht... ik help mijzelf..."
"Maar dan hoef je nog niet in mijn beeld te staan. Ik zit hier, verdraaid-nog-aan-toe, tv te kijken!"
Dave slikt zijn commentaar in.
"Dorst!", weet hij alleen maar schor uit te brengen. De oude vrouw knikt bedachtzaam.
"Sorry, vergat even de gastvrijheid. Ga zitten." En als Dave voor haar doen te lang aarzelt: "Zitten!" Een harde autoritaire klank in haar stem. "Daar! Op dat krukje! Hier voor mij! Naast de tv!"
Dave gaat zitten en kijkt kaar de fles onder het hert. De oude vrouw glimlacht hem nu weer vriendelijk toe. Ze zit rechtop in de stoel. De glijders zwijgen.
"Eigenlijk heb je nu een lekker warme kop chocolademelk, anijsmelk, thee of koffie verdient. Je hebt zo hard gewerkt. Ook nog in zo'n storm. Je zou zelfs de heidenen niet in dit weer naar buiten sturen. Ja, je hebt dat echt verdiend. Iets warms. Iets lekkers. Iets opbeurend."
Ze zakt weer achterover. Haar rechterhand verdwijnt ergens tussen haar kleren.
"Maar ja, je weet hoe het tegenwoordig gaat. Geen gas. Geen elektriciteit. Geen koffie. Geen thee. Geen warme melk. Alles moet je tegenwoordig doen met apparaten. Je mag niet eens meer je eigen vuurtje stoken. Als ik... Als ik hier in mijn eigenste huis vuur ging maken, zou ik hier niet lang meer wonen. Vroeger... Ja vroeger... Heel vroeger..."
De glijders kraken weer. Haar rechterhand is weer te voorschijn gekomen; in de vorm van een vuist, de duim parmantig gestrekt. Met dromerige ogen kijkt ze langs hem heen. Met duim en wijsvinger van haar linkerhand stopt ze onzichtbare materialen boven in haar rechter vuist. De linker wijsvinger stampt het vervolgens aan. Dan knipt ze met haar vingers vlak boven de vuist, de rechterduim ze in de mond. Met een gelukzalige glimlach zakt ze nog verder onderuit in haar stoel en zuigt... en zuigt... en zuigt... en geniet.
"U zei iets over ‘drinken aanbieden'?" Dave zegt het luider dan de bedoeling was. Zij stem lijkt het hele hol te vullen. Zelfs de windmuziek zwijgt een moment. De oude vrouw schrikt op.
"Drinken? Drinken!? Heb je nog niets? Heb ik je nog niets aangeboden? Oei, oei, oei! Straks zeggen ze nog dat Emaille niet meer gastvrij is. Mijn jongen. Je verdient echt een warme chocolade..."
"Geen gas. Geen elektra", onderbreekt Dave haar.
Ze schudt weemoedig het hoofd.
"Jij begrijpt het tenminste. Nee, geen gas, geen elektra." Ze buigt zich dicht naar Dave voorover. "Ik zou het best willen, energie hier. Heb er alles aan gedaan. Niet gelukt. Die stomme mensen van de gemeente... geen enkele hulp. Die kerel hierboven...  Bléééh. Neen, niks waard. Tja..."
"Drinken!?"
"Oh-god, ja. Drinken! Zeg, ik lust er wel eentje."  Ze gebaart vaag naar het hert aan de muur. "Pak maar."
Dave staat op en loopt naar de muur. Voorzichtig haalt hij het feestlint met de fles rond de hals van het hert weg.
"Gekregen!", hoort hij achter zich. "Geschenk van een dankbare bezoeker. Goed, hé? Ik houd van dankbaarheid. Eigenlijk heb ik bijna alles hier gekregen van dankbare bezoekers. Ja, ik ben dik tevreden."
Dave biedt haar de fles aan. Emaille schudt verontwaardigd haar lange grijze lokken.
"Hé, wij doen netjes hier! Pak een paar glaasjes uit de kast."


Terug naar  Emaille van Groningen: inhoudsopgave

zondag 30 december 2012

Nachtburgemeester (lange versie)


Beernd Mostert zweet overvloedig in zijn officiële, winterse kleding. Peinzend uitkijkend over het Gouverneursplein, probeert hij te besluiten of klimaatveranderingen nu wel of niet tot de bestuurlijke competentie behoren. De aanleg van een tijdelijke ijsbaan beneden hem op het centrale plein van de stad, in zijn optiek zeker wel, evenals de invoering van een wietpas, de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers en het vast stellen van de hoogte van de lokale belasting. De beslissing of iets wel of niet tot de bestuurlijke competentie behoort, maakt het leven zo'n stuk gemakkelijker! Zo ja, dan neem je maatregelen en dan doe je er wat aan! Zo nee, dan...ach...

Beernd Mostert voelt zich oprecht dankbaar dat hij zich in dienst heeft kunnen stellen van een maakbare samenleving. Wanneer hij zo over het Gouverneursplein uitkijkt, met al die mensen, zowel Granendamse inwoners als bezoekers, die druk bezig zijn de tijd tussen kerst en nieuwjaar op een gezellige wijze te overbruggen, dan voelt het net alsof de stad voor een deel ook zijn schepping is. De grote kerstboom zal nog tot driekoningen de sfeer op het plein blijven verhogen. Het is hem gelukt om dit jaar een boom van een forse dertig meter te vinden. De verlichting bestaat uit knipperende rood/groene lampjes, uit lange slierten helgele lampjes die op de meest onverwachte momenten mooie Granendamse kerstspreuken vormen en uit blauwwitte lichtjes die als smeltende ijsdruppels eindeloos naar beneden vallen. Het gemeentebestuur staat geen enkele versiering toe, die zou kunnen verwijzen naar een specifieke religie of ideologie. Iedereen moet zich in Granendam welkom voelen. De traag invallende duisternis transformeert het plein tot een nostalgisch feërieke plek van intiem samenzijn.

De reusachtige Granendamse kerstboom staat aan de kop van de honderd meter lange ijsbaan, die vlak voor de kerst is aangelegd. In eindeloze cirkels draaien enthousiaste ouders en kinderen hun rondjes. Links van de ijsbaan is de markt, met muziek, een oliebollenkraam en rijen drukbezochte kraampjes. Rechts, afgeschermd door de kerktoren, weet hij een winterterras met straalkachels op palen, erwtensoep en warme wijn. Waarschijnlijk is elke stoel op het terras bezet, een van de voordelen van een ijs- en sneeuwvrije december. De Granendamse middenstand kan tevreden zijn. En dat is een goed ding in deze tijd van crisis.

Zijn blik wordt getrokken door een eenzame figuur, die met een ruime bocht om de kerktoren heen komt. Een oudere man, geheel gekleed in het zwart. Met zijn linkerhand draagt hij een houten klapstoel. Onder zijn rechterarm houdt hij een donkerbruin foedraal geklemd. Zijn gezicht gaat verscholen onder een reusachtige, zwarte hoge hoed. Alleen een kort grijs sikje is te zien, met daarboven een strakke mond en de zweem van een snor. Beernd Mostert ademt langzaam in door zijn neus en uit door zijn mond: drie tellen in, drie tellen uit. De oudere man is weer keurig op tijd. Elke keer vlak voordat dat het helemaal donker wordt, komt hij op zijn gemak langs de kerktoren de Gouverneurstraat in wandelen. Zonder op of om te kijken loopt de man vervolgens langs de zijkant van de kerk, passeert een ambtelijk pleintje en blijft dan steevast staan vlak onder de erker drie verdiepingen hoger ,waar Beernd Mostert achter het zijraam toekijkt. Het lijkt dan alsof de man even moet aarzelen. Hij werpt een vlugge blik omhoog en kijkt dan nadrukkelijk de straat op een neer om in een paar rustige stappen over te steken. Beernd Mostert beantwoordt de blik met een grimlach. Hij is ervan overtuigd dat de ander hem van beneden af niet kan zien. Zou de man daar echter toch elke avond op hopen? Dat zij elkaar even in de ogen kunnen kijken, heel even contact maken, een woordeloze afspraak bevestigen?

Aan de overzijde van de straat klapt de man de stoel uit en gaat zitten. Het foedraal plaatst hij voorzichtig tussen zijn benen voor hem. Zijn beide handen legt op de bovenzijde. Dan laat hij zijn kin rusten op zijn handen. Dat is het enige wat hij doet. Elke avond. Wanneer Beernd Mostert na weer een uitgelopen avondvergadering het pand verlaat op weg naar zijn welverdiende rust, dan is de man er altijd nog steeds: even roerloos en schijnbaar ontspannen. Alleen de ogen bewegen. Omhoog naar de erker van Beernd Mostert's werkkamer. Naar links of rechts al er verkeer en wandelaars naderen. Hij reageert nauwelijks als mensen hem groeten. Hij zit en kijkt. 's Morgens als Beernd Mostert weer vol goede moed een nieuwe dag wil beginnen is hij altijd weer verdwenen.

Wie hij is, of wat hij komt doen? Beernd Mostert weet het niet. Een stille actievoerder? Hoe lang zit hij daar al? Een paar weken? Beernd Mostert fronst in concentratie de wenkbrauwen. Misschien al langer. Een paar maanden? Nu hij er over nadenkt, sinds de dagen weigeren kouder te worden, ziet hij de man tegen elke avond verschijnen, inclusief zijn stoel en zijn foedraal. Zou hij hier zijn om te protesteren tegen ongewenste klimaatveranderingen? Nee, dat kan niet! Onmogelijk! Ze hebben toch helemaal nog niet de toenemende veranderingen in het klimaat tot het bestuurlijke domein verklaart!? Opeens krijgt hij zin in een goede sigaar. Voor zijn geestesoog steekt hij de brand in een omvangrijke havanna. Hij proeft de rook op zijn tong en het woord 'domein'. Bestuurlijk... domein... Misschien klinkt dat nog beter dan 'bestuurlijke competentie'?

Hij verplaatst zich naar het brede middenraam van de erker en kijkt neer op de zwarte hoge hoed aan de overkant. Zijn rookbehoefte neemt sterk toe. Zijn borst trekt krampachtig samen in heftig verlangen. Het is echter binnen de bestuurlijke (...?...) gebleken om werkkamers in openbare gebouwen rookvrij te verklaren. In een goed getimede pavloviaanse reactie hoest Beernd Mostert kort en heftig. In twee stappen staat hij achter zijn bureau en schenkt een glas cognac in. Terug bij het raam ziet hij hoe de man aan de overkant omhoog kijkt. Verwijtend? Hoezo!?

Nu heeft hij er schoon genoeg van. In een slok slaat hij de cognac achterover en haast zich waardig de kamer uit. Met twee treden tegelijk daalt hij de trap af. Verbaasde hoofden kijken om de hoek van diverse deuren. "Het is... eh... al... eh... goed!", bromt Beernd Mostert zo laag mogelijk, als een reeds kalende man naar voren snelt om de deur open te doen. Hij glimlachtverontschuldigend naar man. Diens tomeloze ambitie verwarmt zijn hart. Wie weet zullen ze ooit nog eens samen een ministerie bestormen en op nieuwe, behoudende en handhavende wijze het land gaan redden van de ondergang.
Achter hem valt de deur dicht. Voor het eerst in vele jaren loopt Beernd Mostert niet direct richting Gouverneursplein, maar slaat links af, loopt onder de erker van zijn werkkamer door en steekt de straat over. De oudere man zit achteruit op zijn stoel. Zijn hogehoed raakt de muur achter hem. De handen heeft hij over elkaar geslagen. Tussen zijn benen klemt hij het foedraal. Zijn lichtgrijze ogen staan nieuwsgierig. Beernd Mostert staat recht voor hem en zwijgt.

"Koud?" vraagt de oudere man vriendelijk.
Zie je wel denkt! denkt Beernd Mostert. Had ik toch gelijk. Gaat het weer om een of andere mulieuactivist! Hij trekt het jasje van zijn driedelig maatpak wat dichter om zich heen. Hier in de schaduw is het kouder, dan hij had verwacht. Je kunt ook niet àlles regelen. Als die activisten eens wisten hoe zwaar zijn ambt was. Hoe veel vragen, klachten en verlangens er dagelijks op hem en zijn medewerkers afkwamen. Deden hij en zijn mensen soms niet hun uiterste best? Waar bleef het vertrouwen van de burger?
Omstandig zoekend kijkt Beernd Mostert om zich heen naar een plek om te zitten of tegen aan te leunen.

Vanaf het Gouverneursplein komt een groepje luidruchtige mensen aanlopen. Ze aarzelen even bij het passeren van de twee mannen. Het lijkt alsof ze willen groeten. Dan lopen ze echter beide mannen nadrukkelijk negerend door, een stuk rustiger dan even tevoren.
Beernd Mostert observeert de oudere man. De manier waarop hij zijn hoofd laat rusten op zijn handen, de rechtheid van zijn rug, de beweeglijke ogen, alles straalt alertheid uit. En rust. Beernd Mostert zwijgt. Voor het eerst sinds jaren heeft hij het gevoel dat hij geen woorden kan vinden om te zeggen. Hij probeert te zien, wat de oudere man ziet. Vanuit zijn ooghoeken houdt hij de ander scherp in de gaten. Waar de blik van de ander heengaat, probeert hij met de zijne te volgen. Hij ziet lichtjes helderder worden in de toenemende duisternis. Hij ziet mensen vrolijk over het Gouverneursplein zwerven. Hij hoort gelach, gevloek, geschreeuw, luidkeels gevoerde gesprekken en het schurende geluid van glijdende ijzers over het ijs. Met enige regelmaat komen auto’s, fietsers en wandelaars langslopen. Zodra ze de Gouverneursstraat inkomen heeft hun blik hen al gevonden. Bijna nonchalant volgen ze elke passant tot deze weer uit het zicht zijn verdwenen. Sommigen brengen de moed op om te groeten, anderen snellen met afgewend hoofd voorbij of schijnbaar diep verzonken in elkaar en hun gesprek. Beernd Mostert voelt zich de waarnemer van een vertrouwde beeld van een doordeweekse winteravond in Granendam. Hij kan niet langer een glimlach onderdrukken. Zo kent hij deze stad. Dit is zìjn stad.

Alleen de man tegenover hem is een raadsel. Beernd Mostert recht zijn rug, fronst zijn wenkbrauwen en verlaagt zijn stem.
“Wie bent u? Wat doet u hier elke avond buiten op die stoel?”
“Kijken”, is het antwoord. “Kijken èn zien”, voegt hij bedachtzaam knikkend er aan toe. “Jullie daarbinnen zien niet zo veel. Jullie weten nog niet de helft van wat er hier buiten gaande is.”
“Wat dan!?”, reageert Beernd Mostert geïrriteerd.
“Kijk zelf maar.”
De oude man komt rustig overeind en biedt Beernd Mostert zijn stoel aan. Voorzichtig legt hij het foedraal in diens armen. Dit voelt zwaarder aan dan verwacht. Peinzend draait Beernd Mostert het foedraal een paar maal rond in de handen.
“Voor alle zekerheid”, zegt de oudere man. “Alleen in uiterste gevallen van nood gebruiken.”
Dan draait hij zich om en loopt langzaam in de richting van het Gouverneursplein.
Aan de overzijde van de straat verschijnt een lichtelijk kalende ambtenaar met een lange winterjas over de arm. Bezorgd kijkt hij naar Beernd Mostert op zijn klapstoel.

“Als ik u was, zou ik gewoon eens een tijdje op die stoel blijven zaan zitten.”
De oudere man blijft staan en half omgedraaid kijkt hij naar Beernd Mostert. Deze klemt het foedraal stevig tussen de knieën en wenkt dwingend de ambtenaar met de jas over te steken.
“Verrassend wat je dan niet allemaal over je eigen stad ontdekt, als je een aantal nachten hier doorbrengt . Bijzonder. Heel bijzonder. Leerzaam zou ik het willen noemen. Voor elke stadsbestuurder aan te raden. Biedt echt een geheel ander perspectief. Heel verhelderend.”

Marcel van der Pol
30 december 2012